Je vroeg mij, om een kerstgedicht te schrijven. Ik kan natuurlijk op de vlakte blijven en spreken van de herders en de stal en van de engelen, die het heelal vervulden met hun jubelende zingen; van al die mooie, wonderlijke dingen bij de geboorte van de Zoon van God - maar 'k bleef daarbij dan zelf wel buiten schot.
Ik zou ook wel van vrede kunnen spreken, van volkeren die hun verdragen breken, die mensenrechten treden met de voet; van wanhoop, want men weet niet hoe het moet om ooit op aarde vrede te bewerken, omdat de zwakken vluchten voor de sterken, omdat ze hulp'loos schreeuwen: 'Waar is God?' Maar dan bleef ik zelf wel buiten schot.
Het is zo makkelijk om God te vragen je zonde als een nevel weg te vagen, te bidden om de vreugd' die niet vergaat, terwijl je alles bij het oude laat. Maar Bethlehem is tot eeuwig teken dat wie God aanroept, met zichzelf moet breken. Hij houdt zijn leven niet meer buiten schot. Doeltreffend is de liefdespijl van God!
Nel Benschop | |