Groot bent U, o Heer,
en hoog te prijzen.
Uw kracht is groot
en uw wijsheid onbegrensd.
En de mens wil U loven,
een nietig deeltje van Uw schepping,
de mens die onder de last
van zijn sterfelijkheid gebukt gaat,
het bewijs van zijn zondigheid
en dat U de hoogmoedigen weerstaat.
En toch wil de mens U loven,
dat nietig deeltje van Uw schepping.
Uzelf laat hem de vreugde vinden
in het zingen van Uw lof,
want U hebt ons voor Uzelf gemaakt, O God,
en rusteloos is ons hart tot het rust vindt in U.
(Augustinus, Belijdenissen I,1,1)